ma 09 okt 2017
De 4 inzichten: praktische toepassing van de zelfdeterminatietheorie voor de coach

vskverhaal2

Bron: NL Coach
Auteur: Els Dubbelboer

Sinds de lancering in 2014 zijn de ‘4 Inzichten over Trainerschap’ bezig met een enorme opmars in sportief Nederland. Liefst elf grote sportbonden hebben de principes ervan, die door het projectteam van ‘Naar een veiliger sportklimaat’ werden uitgewerkt, inmiddels omarmd. Zij hanteren de methode bij hun bondsopleidingen voor nieuwe trainers en coaches. Nadat we in 2015 reeds een tweetal inleidende artikelen aan de 4 Inzichten over Trainerschap hebben gewijd, nu een verdieping.

De 4 inzichten over Trainerschap zijn voortgekomen uit het Trainer-Kind-Interactie-onderzoek dat in 2012 en 2013 in opdracht van het programma Naar een veiliger sportklimaat (VSK) is uitgevoerd. VSK is een door VWS gesubsidieerd programma dat er op gericht is dat sporten bij een sportvereniging plaatsvindt in een sociaal veilig, plezierig en ontwikkelingsgericht verenigingsklimaat. Het vergroten van de pedagogisch en didactische kwaliteiten van trainers/coaches is een belangrijke doelstelling van dit programma. De inzichten omvatten onder andere de principes van positief coachen: afspreken, aanspreken en het versterken van de eigen verantwoordelijkheid. De praktische en toegankelijke ordening ervan spreken velen aan en maakten het programma reeds een succes.

Elf bij NOC*NSF aangesloten sportbonden hebben de ‘4 inzichten over Trainerschap’ reeds geïntegreerd in hun opleiding: KNGU (gymnastiek), KNZB (zwemmen) Nevobo (volleybal), KNKV (korfbal), NBB (basketbal), KNBSB (honk- en softbal), Watersportverbond, Atletiekunie, KNVB (voetbal), Badminton Nederland en NTTB (tafeltennis).

De meeste van deze bonden hebben hun opleiders inmiddels bovendien geschoold om zelf volgens de principes van de 4 inzichten les te geven. Daarnaast hebben vijf Sport & Beweegopleidingen uit het MBO-onderwijs de inzichten in hun curriculum opgenomen. Langs deze weg vormt zich een nieuwe generatie trainers, coaches en sportleiders voor wie een aantal pedagogische en didactische principes als vanzelfsprekend tot hun competenties gaat behoren. Dit helpt hen een sociaal veilig, plezierig en ontwikkelingsgericht leerklimaat te creëren.

Zelfdeterminatietheorie
De 4 inzichten worden, is inmiddels gebleken, gewaardeerd. Niet in de laatste plaats vanwege hun toepasbaarheid. Ze zijn tastbaar en geven daarmee een praktische invulling aan één van de meest dominante stromingen in de motivatieleer: de Zelfdeterminatietheorie (SDT) van Edward Deci en Richard Ryan, hoogleraren psychologie en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Rochester. In dit artikel wordt de match tussen de praktische 4 inzichten en één van de krachtigste theorieën uit de hedendaagse psychologie toegelicht. De wetenschappelijk onderbouwde zelfdeterminatietheorie wordt veel in het onderwijs en de sport toegepast.

De zelfdeterminatietheorie is een theoretische benadering waarbij Deci en Ryan er vanuit gaan dat ieder mens zich, ongeacht zijn of haar leeftijd, wil ontwikkelen. Zowel op persoonlijk vlak als in de relatie met anderen. Maar, dat gaat niet zomaar. Daar is motivatie voor nodig. En een sociale omgeving die dit proces ondersteunt en vergemakkelijkt.

In de theorie wordt uitgegaan van drie psychologische basisbehoeften: autonomie, competentie en verbondenheid. Deze basisbehoeften, die invloed hebben op persoonlijke ontwikkeling, dienen vervuld te worden door de omgeving waarin de sporter zich begeeft.

Autonomie is de beleving van de sporter om zijn/haar eigen gedrag zelf te mogen bepalen, vanuit eigen interesses en waarden. Het wordt gekenmerkt door het gevoel zelf invloed te hebben, ondanks dat anderen hier inspraak hebben. Competentie is dat de sporter ervaart dat hij/zij het beste uit zichzelf haalt en zich prettig voelt in de sociale omgeving. Daarnaast wordt het gekenmerkt door het gevoel dat de sporter vertrouwen heeft in zijn/haar eigen capaciteiten. Als derde is verbondenheid het gevoel van de sporter dat hij/zij verbonden is met anderen, ergens toe behoort, veilig is en een thuisbasis heeft.

vskverhaal1

Motivatie
Motivatie kan bestaan uit intrinsieke motivatie, extrinsieke motivatie of geen motivatie. Wanneer een sporter intrinsiek gemotiveerd is, doet hij/zij deze activiteit voor de voldoening en bevrediging die de activiteit met zich meebrengt. Wanneer een voetballer intrinsiek gemotiveerd is, voetbalt hij/zij omdat hij/zij zich na het voetballen voldaan voelt. Wanneer iemand extrinsiek gemotiveerd is, komt het gedrag tot stand door de verwachte uitkomsten. Dit gedrag levert dus iets op, een compliment, goedkeuring of zelfs een prijs. Intrinsieke motivatie is de vorm met de meeste zelfbepaalde motivatie, hierbij is de motivatie dus door de sporter zelf bepaald en komt het gedrag niet tot stand door verwachte uitkomsten. Voldoening van de drie psychologische basisbehoeften heeft een positieve invloed op het niveau van zelfbepaalde motivatie. Hoe meer er voldaan wordt aan de behoefte van autonomie, competentie en verbondenheid, hoe meer intrinsieke motivatie een sporter ervaart.

Maar, waarom is het dan belangrijk dat iedere sporter, ongeacht leeftijd, zo veel mogelijk zelfbepaalde motivatie ervaart? Uit onderzoek, waarover Nikos Ntoumanis en Martyn Standage publiceerden, blijkt dat het niveau van zelfbepaalde motivatie een positieve invloed heeft op gevoelens, gedachten en gedrag. Deze positieve gevoelens, gedachten en gedrag zorgen weer voor een positief effect op psychologisch welzijn, vitaliteit en intenties van gedrag. Ook zorgt meer zelfbepaalde motivatie voor een verhoogd niveau van zelfvertrouwen, concentratie, inspanning en een voorkeur voor uitdagende taken.

Hoe meer zelfbepaalde motivatie wordt ervaren, hoe meer positieve consequenties het met zich meebrengt. Dit zorgt ervoor dat lastige situaties en tegenslagen bijvoorbeeld niet automatisch leiden tot negatieve gedachten en gevoelens, maar juist worden gezien als nieuwe uitdagingen. Hierbij blijft de sporter gemotiveerd. Daarnaast: hoe meer zelfbepaalde motivatie de sporter ervaart, hoe beter zijn/haar prestaties zullen zijn. Het is daarom de taak van de coach om erachter te komen wat deze kan doen om er voor te zorgen dat de psychologische basisbehoeften vervuld worden en de sporter hierdoor zo veel mogelijk zelfbepaalde motivatie ervaart.

Praktische toepassing
Hoe doe je dat dan? Volgens de wetenschappelijke literatuur kunnen trainers en coaches een ondersteunend klimaat creëren door de manier waarop ze hun training opbouwen en door de manier waarop zij omgaan met sporters. De behoefte aan autonomie kan voldaan worden wanneer de trainer/coach keuzes verschaft, probeert te kijken vanuit het perspectief van de sporter en de sporter zelf keuzes laat maken. Competentie en verbondenheid kunnen beide voldaan worden door de kwaliteit van de relatie tussen de sporter en de trainer/coach te bewaken, iedere sporter op dezelfde positieve manier te benaderen en de gevoelens en interesses van de sporter te herkennen. Daarnaast helpt het om in de training het gewenste gedrag van de sporter begrijpelijk te maken, feedback te geven en om de sporter zelf doelen te laten stellen.

Maar, kan er ook gesteld worden dat er een match is tussen de praktische 4 inzichten en de zelfdeterminatietheorie? Het lijkt er op van wel… De tips om een ondersteunend klimaat te creëren op de manier waarop een training wordt opgebouwd en door gewenst gedrag begrijpelijk te maken, valt onder het structureren. Het benaderen van iedere sporter op dezelfde positieve manier en het geven van feedback, komt terug in het stimuleren van de sporter. Het bekijken vanuit het perspectief van de sporter, het herkennen van de interesses van de sporter en daarbij de gevoelens van de sporter herkennen, staat in het verlengde van het geven van individuele aandacht. Daarnaast komt het verschaffen van keuzes en het laten stellen van doelen door de sporters zelf terug in het regie overdragen. Wanneer een trainer/coach werkt volgens de principes van de 4 inzichten wordt een sportklimaat gecreëerd waarbinnen iedereen zich herkend, erkend en gewaardeerd voelt. Dit vormt de basis voor een gevoel van verbondenheid met zowel de trainingsgroep als met de coach. De empathische vermogens van de coach zijn hiervoor overigens wel van belang.

Hoe zit het nou?
Even terug naar het begin, hoe zit het nou precies? De trainer/coach past de 4 inzichten toe in de training, hierdoor voldoet hij/zij aan de behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid van de sporter. Door de voldoening van deze behoeften, ervaart de sporter meer zelfbepaalde motivatie. Deze hoeveelheid zelfbepaalde motivatie zorgt op haar beurt weer voor positieve effecten op de gevoelens, het gedrag en de gedachten van de sporter, waardoor onder andere de prestaties van sporters kunnen verbeteren.

De praktische 4 inzichten matchen dus uitstekend met de wetenschappelijk onderbouwde zelfdeterminatietheorie. Ze zorgen voor een begrijpelijke en uitvoerbare toepassing van de verschillende motivatieverhogende technieken. Door de 4 inzichten kunnen lastige, motivatie-gerelateerde vraagstukken binnen de sport opgelost worden. Dit betekent niet dat het als trainer of coach ineens een stuk gemakkelijker wordt, maar het helpt je wel op gang!

 Els Dubbelboer is op 1 juli afgestudeerd aan de Hogeschool Groningen Toegepaste Psychologie. Ze liep tijdens haar studie stage bij het VSK-programma van NOC*NSF en de KNVB, waar ze zich bezighield met talentontwikkeling in het vrouwenvoetbal. De twee vorige artikelen over dit onderwerp werden geschreven door Jarno Hilhorst en Johan Steenbergen en verschenen in 2015 in nummer 2 en nummer 3 van NLCoach.

Deel dit via: